Engels
Hoe verandert de verhouding tussen bewoners en overheden als het gaat om de inrichting van de leefomgeving?
4
 

Mijn Leefomgeving

Hoe veranderen de rollen tussen overheden en bewoners?

  • Bewoners dragen steeds vaker de (mede)verantwoordelijkheid voor publieke taken en nemen ook vaker het heft van de uitvoering daarvan in eigen handen. Er ontstaan nieuwe maatschappelijke initiatieven op allerlei terreinen, zoals de opwekking van energie en het verzorgen van groen, bijvoorbeeld via de herontdekking van de coöperatie en de opkomst van het ‘sociaal ondernemerschap’.
  • Tegelijkertijd dichten overheden ook bewoners steeds meer een zelfredzame rol toe als het gaat om publieke taken. Verantwoordelijkheden worden bij de samenleving gelegd en taken worden gedecentraliseerd van rijk naar gemeentes.
  • Daarbij verwachten bewoners een nieuwe rol van overheden, waarin de overheid niet als hindermacht optreedt, maar initiatieven ondersteunt en faciliteert. Ook zijn bewoners zelfstandiger en kritischer geworden. Hierdoor is de wens ontstaan om op gelijke voet met de overheid mee te kunnen denken.

Deze ontwikkeling krijgt in studies verschillende benamingen:

“Deze namen benadrukken het contrast met de ervoor liggende periode, die het stempel ‘verzorgingsstaat’ droeg. […] De huidige drang tot verandering komt zowel van binnen als van buiten de verzorgingsstaat. Enerzijds drukken de kosten van de verzorgingsstaat dermate fors op de overheidsbegroting dat er barsten kwamen in het voorzieningenniveau. […] Anderzijds beperkte het stelsel van wetten en regels de bewegingsruimte van individuen en collectieven, die alternatieve paden voor zichzelf wilden ontwikkelen.” (Van der Schot, Besturen met burgerkracht, Duurzaam Door, 2016, p 10-11).

Drie generaties van bewonersparticipatie

De verhouding tussen overheid en samenleving als het gaat om het zorgdragen van publieke taken verandert dus. De zoektocht naar een ‘nieuwe balans’ hierin heeft de laatste decennia een ontwikkeling doorgemaakt. In onderzoek wordt gesproken van drie fasen van burgerparticipatie.

Van de Wijdeven 2012, Doe democratie

  • Bij de eerste generatie hebben bewoners inspraak nadat een bestuursbesluit is genomen, maar voordat het definitief is. Deze inspraak werd in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw afgedwongen door steeds mondiger wordende bewoners die invloed wilden uitoefenen op bijvoorbeeld de stadsvernieuwing.
  • Bij de tweede generatie organiseert de gemeente interactie met bewoners tijdens de voorbereiding van een besluit. Dit kwam op in de jaren negentig van de vorige eeuw, naar aanleiding van het veelgehoorde bezwaar dat bewoners te laat in het proces van de beleidsvoorbereiding werden betrokken en dan alleen nog hun reactie konden geven op uitgewerkt beleid.
  • Bij de derde generatie nemen bewoners zelf het initiatief en kan de gemeente participeren. Zo kunnen burgers groenbeheer overnemen en kan de gemeente dat faciliteren. Met de opkomst van verschillende bewonersinitiatieven begin van deze eeuw spreken we van deze generatie. “Uitgangspunt bij de derde generatie participatie zou moeten zijn dat burgers leidend zijn op de inhoud, maar ook in het proces: burgers die een idee hebben voeren dit vervolgens ook grotendeels zelf (samen met andere burgers) uit.” (Van de Wijdeven 2012, Doe democratie, p. 75)

Dit ziet er schematisch als volgt uit:


Uit: Van der Schot, Besturen met burgerkracht, Duurzaam Door, 2016

Dilemma’s rond een veranderende verhouding tussen overheid en bewoners

We staan aan de vooravond van een grote herziening van onze verzorgingsstaat. De energieke samenleving, de doe-democratie of de participatiesamenleving (hoe je het ook wilt noemen) is daarbij het doel, maar er bestaat onduidelijkheid over hoe dat er precies uit gaat zien. In onderzoek worden verschillende dilemma’s genoemd.

  • Bestaat er kans op uitsluiting? Er zijn veel succesverhalen waarin de initiatieven van bewoners als dé manier worden gezien om invulling te geven aan de eigen zeggenschap van bewoners over hun leefomgeving. Maar er is ook discussie over de vraag in hoeverre deze initiatieven wel voldoende democratisch zijn en niet tot uitsluiting van de minder zelfredzame of minder actieve bewoners leiden. Zo concludeert Movisie dat vooral witte, hoogopgeleide Nederlanders initiatieven ontplooien, terwijl lager opgeleiden, migranten, sommige ouderen en mensen met een verstandelijke beperking de weg niet kennen. (Participatiesamenleving anno 2017: volop kansen, Movisie, 17 september 2017).

“Een initiatiefnemer is succesvoller als hij dichter bij de overheid staat, de weg binnen de overheidsinstanties kent, de taal van de ambtenaren en het bestuur spreekt en zo gemakkelijker verbindingen kan leggen en ondersteuning realiseren.” (Verhoef e.a., Burgerinitiatief: waar een wil is…, De Nationale Ombudsman, 2018, p. 9).

“Te veel focus op de burger als coproducent kan […] tot versterking van sociale ongelijkheid en ongenoegen leiden als het steeds dezelfde burgers zijn die bepalen wat er gebeurt in een wijk, bijvoorbeeld vanwege hun opleiding, etniciteit of leeftijd.” (Putters, Rijk geschakeerd, 2014, p.53).

  • Zijn er genoeg gemotiveerde bewoners? Hoewel bewoners vandaag de dag kritisch mee willen denken over beleid en de ontwikkeling van hun leefomgeving, hebben veel mensen ook weinig tijd en hebben geen zin om zich in te zetten voor het collectieve belang. Hoe krijg je drukbezette bewoners gemotiveerd om tijd en moeite te stoppen in projecten waar de hele wijk van profiteert? (Kettelarij, De burger aan zet, 2012).
  • Staat de overheid er wel open voor? Overheden moeten zich verhouden tot initiatieven van bewoners in de leefomgeving. En dit blijkt niet altijd eenvoudig. Het afgeven van een aantal verantwoordelijkheden naar de samenleving gaat gepaard met een bepaalde machtsoverdracht. Sommige ambtenaren hebben daar moeite mee. Bewoners geven invulling aan projecten op basis van hun eigen visie op wat nodig en belangrijk is. Dat kan iets heel anders zijn dan de beleidsmakers zelf hebben bedacht. Soms wordt ook de motivatie van de initiatiefnemer niet erkend door de overheid. Initiatiefnemers ervaren dit als gebrek aan vertrouwen. (Van der Heijden e.a., Experimenteren met burgerschap – van een doe-het-zelf naar een doe-het-samen Maatschappij, ministerie van BZK, 2011). Daarnaast krijgt een bewonersinitiatief in het contact met de overheid al gauw te maken met regels en regelingen.

“Die regels over subsidievoorwaarden of vergunningsaanvragen kunnen ingewikkeld of veelomvattend zijn en sluiten niet één op één aan bij de plannen van een initiatief”. (Verhoef e.a., Burgerinitiatief: waar een wil is…, De Nationale Ombudsman, 2018, p. 14).

In het rapport Rijk geschakeerd van het Sociaal Cultureel Planbureau vind je nog meer dilemma’s.

De filosofie van de Omgevingswet

Het is een misverstand dat het maatschappelijk proces en ook de inrichting van de leefomgeving zal verbeteren als de overheid zich terugtrekt en van oorsprong publieke taken aan de samenleving overlaat. De nieuwe samenleving vraagt niet per se om minder overheid, maar om een andere overheid. (Van der Schot, Besturen met burgerkracht, Duurzaam Door, 2016).

“Een overheid die vaardig is in het combineren van klassieke rollen van de overheid (rechtmatig, presterend) met nieuwe rollen (netwerkend, participerend en faciliterend). […] Waar voorheen nog werd gesproken van burgerparticipatie, kan nu beter gesproken worden van overheidsparticipatie. Het gaat niet over optimale benutting van de energie van de overheid, maar om het benutten, aanboren en aanjagen van de energie in de samenleving voor het bereiken van maatschappelijke doelen en publieke waarde.” (Van der Steen, Hajer e.a., Leren door doen – Overheidsparticipatie in een energieke samenleving, NSOB/PBL, p. 4 & 7, 2014).

Dit sluit aan bij het perspectief dat in het rapport De Energieke Samenleving wordt geschetst: “Een samenleving van mondige, snel lerende burgers en bedrijven die zelf een energiebron vormen. Het is dan aan de overheid om hiervoor de condities te scheppen.” (Hajer e.a., De energieke samenleving, op zoek naar een sturingsfilosofie voor een schone economie, PBL, 2011, p. 29).

Naast erkenning van de capabele bewoners is het volgens dit rapport van belang dat de overheid meer aansluiting zoekt bij wat bewoners beweegt. Om dit te doen ligt het voor de hand om daadwerkelijk ‘leefomgevingsbeleid’ te ontwikkelen door ruimtelijk beleid, mobiliteitsbeleid en milieubeleid meer op elkaar te betrekken.

De ontwikkeling van de Omgevingswet sluit aan bij deze aanbeveling. Het stimuleren van bewonersparticipatie en het ondersteunen van bewonersinitiatieven zijn belangrijke doelen van de nieuwe wet. Daarnaast moeten besluiten over de leefomgeving volgens de wet integraal bekeken en genomen worden.